| NIEUW 05-05, vanaf heden is er de rubriek Flitspost in de linker kolom. De links hier leiden naar een nieuwe pagina waar korte artikels geplaatst worden |



Wat er hier plaats heeft gevonden is wat we allemaal kennen, systeem 2 is verwarmd door systeem 1.
Maar wat is de eindtoestand? Op atomaire schaal is die er niet, het verplaatsen van de energie door de systemen gaat eindeloos en doelloos door. Maar voor een waarnemer met een thermometer is die er wel, op een gegeven moment is de temperatuur in beide systemen a: gelijk en b: verandert niet meer.
Op dit punt is namelijk de verhouding rood / wit in beide systemen gelijk, ook al veranderen de posities continu.
De botsingen verplaatsen de energie willekeurig en zorgen voor energieverspreiding, maar als ze eenmaal homogeen over de beschikbare ruimte verdeeld is, blijft de onderlinge verdeling gelijk.
Er is een evenwicht ontstaan, het is een (thermo)dynamisch evenwicht en geen statisch evenwicht daar er wel continu veranderingen blijven optreden.
Temperatuur
We dus hebben gezien dat de temperatuur in systeem 1 en 2 gelijk is geworden, maar zie dat dit niet geldt voor de energie van beide systemen. Er zit nu meer energie in systeem 2 dan in systeem 1.
We weten uit ervaring dat energie tussen twee systemen van nature van hoge naar lage temperatuur beweegt en uiteindelijk een gelijke eindtemperatuur bereikt, maar dit betekent dus niet gelijke energieën. Bovendien blijft de energie zich continu verplaatsen al kunnen we dit aan de temperatuur niet zien.
Een systeem kan een relatief lage temperatuur hebben maar wel heel veel energie bezitten, bijvoorbeeld onze oceaan. Energie hangt o.a. van de omvang van een systeem af (aantal deeltjes), maar temperatuur niet. In de buitenste luchtlagen van onze atmosfeer loopt de temperatuur op tot 800ºC, maar je zou hier niet veel van merken omdat de lucht er zo ontzettend ijl is en de energiedichtheid erg laag.
Temperatuur is dus afhankelijk van de verhouding rood / wit. Concreet is er gevonden dat Temperatuur = C / ln × (rood/wit) , waarin C een constante is die afhankelijk is van de hoeveelheid energie en massa van de rode atomen.
Ludwig Boltzmann
Nu gaan we op atomaire schaal kijken wat entropie inhoudt, en daarvoor duiken we in de statistische thermodynamica hetgeen inhoudt dat we gaan kijken wat er gebeurt op de moleculaire schaal hetgeen de oorzaak is van wat we zien op onze menselijke macroscopische schaal.
De basis hiervan werd gelegd door Ludwig Boltzmann. Boltzmann zocht de oorzaak van de thermodynamische processen in het gedrag van atomen, op zich al gedurfd omdat het idee van het bestaan van atomen nog niet eens geaccepteerd was.
Het bestaan van warmte(energie) komt voort uit de beweging van atomen ofwel hun kinetische energie, en ze is afhankelijk van de hoeveelheid atomen. (Temperatuur is een maat voor de gemiddelde snelheid van de atomen en is onafhankelijk van de hoeveelheid.)
Entropieverandering tijdens faseverandering
We nemen nu smeltend ijs als voorbeeld om de entropieverandering van een spontaan proces te onderzoeken, kenmerkend bij smelten is het feit dat de temperatuur constant blijft terwijl warmte wordt opgenomen. De eerder genoemde formule ΔS = ΔQ / T voor het bepalen van de entropie is hier bij uitstek toepasbaar.
Beschouw onderstaand systeem met 6 moleculen water als ijskristal en nog 19 omringende atomen vloeibaar water. De ijsmoleculen trillen in hun vaste kristalrooster en kunnen geen andere posities innemen. Maar nu gaan we warmte toegvoegen.





Dan hebben we nog belangrijke verschillen gezien tussen temperatuur en energie. Temperatuur is een intensieve grootheid, we meten een waarde niet afhangt van de grootte of hoeveelheid materie in het systeem. Energie daarintegen is een extensieve grootheid, de waarde hangt altijd af van de hoeveelheid materie in het systeem.
Denk hier nog eens over na m.b.t. het 'meten' van global warming. Men meet slechts de plaatselijke intensieve temperatuur, maar dus zeker geen energie. Daarvoor moeten de samenstelling (vochtigheid), druk en soortelijke warmte bekend zijn. En dan welk volume moet je gebruiken, m.a.w. wat is het systeem dat bij de temperatuur hoort? Hoe groot is het volume rond het meetpunt waarin de gemeten temperatuur geldig is? Een onmogelijke opgave.
Dit is het einde van deel 1, in deel 2 duiken we eerst in de historie van de tweede hoofdwet.


We zien hier duidelijk welke factor de temperatuur bepaalt van zowel de atmosfeer als de grenslaag water, namelijk het vriespunt van het ijs (aangezien het zout zeewater betreft is de evenwichtstemperatuur aan de onderkant ca. -1,8°C i.p.v. 0).
Het ijs zelf houdt de luchtlaag er vlak boven continu op 0 graden zoals we al in de DMI grafiek zagen (daar iets hoger vanwege meetpunt op 2 m hoogte). De atmosfeer krijgt geen kans van betekenis om het ijs te verwarmen, en we gaan nu bekijken waarom dit zo is.
Het water aan de onderkant kan het ijs in zekere zin wel doen smelten vanwege zijn veel grotere massa, warmtecapaciteit en geleidbaarheid dan die van lucht. De mate van afsmelten is verder afhankelijk van stroming.
Maar waarom controleert het ijs de temperatuur, de reden is dat ijs bij verandering naar de vloeibare fase niet van temperatuur verandert en dat voor deze faseverandering heel veel energie vereist is. Om één liter ijs te laten smelten is net zoveel energie nodig om water van nul graden te verwarmen tot 80 graden Celsius, dus bijna net zoveel energie om het tot het kookpunt te brengen.
Als de atmosfeer één liter ijs zou willen laten smelten is er maar liefst 260.000 liter lucht nodig van 1ºC die daarbij dan af zou koelen tot 0ºC. Daarna heeft deze enorme luchtmassa dan ook geen effect meer, alleen continue gigantische (warme) luchtverplaatsingen zouden het smeltproces weer enigzins op gang kunnen brengen.
Maar dit is nu juist het probleem, bedenk dat warmere lucht lichter is dan de koude lucht die vlak boven het ijs hangt en dus kan warmere lucht het ijs niet bereiken zonder dat deze koude grenslaag door extra krachten (turbulentie) geholpen wordt. Er is hier geen natuurlijke convectie mogelijk zoals bij het verdampingsproces van oceaanwater waarbij waterdamp automatisch stijgt door de dichtheidsverschillen door de atmosfeer.
Nu is het omgekeerde het geval, de zwaartekracht belemmert het warmtetransport via warmere lichtere lucht naar het ijs.
Het maakt in dit opzicht dus ook niet uit hoe warm de atmosfeer verder boven de grenslaag is. Een hogere temperatuur van de omringende atmosfeer heeft geen effect op het ijs. De enige mogelijkheid is nog dat de luchtlagen warmte via geleiding kunnen uitwisselen, maar lucht is nu juist een uiterst belabberde geleider en eerder een isolator (denk aan de thermopane ramen).
En zo komen we tot een belangrijke conclusie die lijnrecht tegenover de AGW filosofie staat: de atmosfeer (koude lucht) boven het poolijs is een isolator die het smelten van ijs door de atmosfeer tegen gaat, mondiaal hogere temperaturen kunnen geen invloed uitoefenen op het poolijs.
Dit is de reden dat we boven de tachtigste breedtegraad de gehele zomer een atmosfeertemperatuur zien die nagenoeg nul graden is, slechts horizontale luchtaanvoer kan de isolatielaag verstoren waarna ook deze snel tot nul afkoelt (1 op 260.000).
Na verloop van tijd vormen zich plassen smeltwater op het ijs, deze laag water is nog een extra weerstand tegen een eventuele invloed van de atmosfeer. Het bovenste laagje van het smeltwater kan door de zon verder opgewarmd worden en zelfs zorgen voor een hogere temperatuur van de er boven liggende atmosfeer.
Het smeltwater in contact met de ijslaag blijft nul graden.
Een proces wat ook onder droge omstandigheden nog plaats kan vinden is sublimatie van ijs, waarbij het direct overgaat naar de gasvormige fase. Hierdoor wordt veel energie aan de lucht onttrokken, per liter ijs is bijvoorbeeld meer dan 2 miljoen liter lucht van 1°C nodig.
Laten we eerst even wat gegevens verzamelen (tabel 1)
| zeewater | lucht | ijs | ||
| dichtheid (0 °C) | 1026 | 1,293 | 917 | kg/m³ |
| soortelijke warmte | 3930 | 1000 | 2200 | J/kg.K |
| warmtegeleidingscoëfficiënt | 0,61 | 0,024 | 2,1 | W/m.K |
| smeltwarmte | 334000 | J/kg | ||
| sublimatiewarmte | 2830000 | J/kg | ||
| totaal oppervlak max. | 14,0*10^6 | km² | ||
| totale massa | 1,4*10^21 | 5,2*10^18 | 2,6*10^16 | kg |
| totale energie | 1,6*10^27 | 9,7*10^23 | -8,7*10^21 | J |
Laten we nu eens kijken welke invloed het zeewater eventueel op het ijs kan uitoefenen in verhouding tot de atmosfeer.
We zien dat de de soortelijke warmte van zeewater 4 maal zo groot is als die van lucht, maar aangezien lucht een veel lagere dichtheid heeft is het verschil in energie inhoud per liter zeewater 3930/1000*1026/1,293 = 3100 maal zo groot.
De warmtegeleidbaarheidscoëfficiënt die aangeeft hoe goed het warmte geleidt is voor zeewater 25 maal zo hoog als die voor lucht, en daarnaast bezit de oceaan ook nog 1600 maal zoveel (warmte)energie als de totale atmosfeer.
Het is duidelijk dat het water enkele magnituden meer invloed op het ijs kan uitoefenen dan de lucht. De energieflux van de lucht is verwaarloosbaar t.o.v. die van het water.
Maar ook het zeewater is niet de factor die het smelten in gang zet, want de reden dat poolijs in de zomer smelt is zonne energie. In de eerste grafiek zagen we dat het ijs half Maart begint af te nemen, en dit is inderdaad het moment dat de zon er op komt. Zoals bekend is het op de pool de gehele winter donker, in Maart komt de zon op en blijft dag en nacht schijnen tot eind September. Dit is dan ook het moment dat we zien dat het smelten weer stopt.
Ijs neemt namelijk 30 tot 50 % van de zonne energie op, en dat is nu de energie die het ijs laat smelten. De cruciale factor bij het smeltproces is dat zonne energie iets kan wat andere de warmtebronnen niet kunnen, en dat is het ijs penetreren tot enkele meters diep. En dit is nu de reden dat aan het begin van het smeltseizoen het ijs al opwarmt tot het smeltpunt terwijl de atmosfeer nog in diepvriestoestand verkeert, dit hebben we in het begin bij grafiek 2 al gezien. De ijsomvang neemt al af terwijl de gemeten atmosfeertemperatuur nog min 29 graden is.
De warmte(energie) van water of lucht kan het ijs door geleiding slechts aan het buitenste oppervlaktelaagje benaderen, en wordt dan ook nog eens gehinderd door een grenslaagje dat net zoals het ijs nul graden is. En er moet een temperatuurgradient aanwezig zijn om warmte te kunnen transporteren (Q=k*A*ΔT, dus een temperatuurverschil tussen de beide media).
De stralingsenergie van de zon verwarmt de complete ijslaagdikte in één keer helemaal, en een temperatuurverschil met de omgeving is niet van belang en speelt geen rol. Straling is energieverplaatsing die alleen afhankelijk is van de bron, in dit geval de 5500°C van de buitenkant van de zon (Q=σ*A*T4).
In de winter blijft het ijs aan de onderkant in evenwicht met het zeewater (-1,8°C), aan de bovenkant kan het tot -40°C afkoelen door uitstraling van energie naar de ruimte tijdens de lange duisternis. Dan komt in Maart de zon op en warmt het ijs op tot 0°C waarna het gaat smelten terwijl de atmosfeer nog ver onder nul zit. En kijk eens wat er dan dus gebeurt, het ijs warmt de atmosfeer op van -29 naar 0. We hebben dan wel een systeem waarin natuurlijke convectie mogelijk is, koudere luchtlagen boven het ijs zakken naar de warmere lichtere laag op het ijs en worden opgewarmd.
Er vind dus in deze fase van Maart tot Juni opwarming van de atmosfeer plaats door het smelten van het ijs. Maar het betekent dus zelfs dat als er meer ijs ligt de opwarming van de atmosfeer ook sneller gaat, en uiteraard door meer zonneschijn/minder bewolking.
Als de atmosfeer in Juni door het ijs opgewarmd is tot nul, stopt dit proces en blijft het op deze temperatuur om reden die we eerder besproken hebben.
Wat over blijft van de AGW smelthypothese is niets, we constateren dat de fysica voor het grootste gedeelte van het smeltseizoen juist het tegenovergestelde vertelt. Voor het overige deel is er slechts een status quo, waarbij het opgewarmd smeltwater is dat dan de atmosfeer enigzins op kan warmen.
Het is dus altijd zo dat het eerder het ijsoppervlak is dat de atmosfeer opwarmt dan andersom.
Tijdens de periode dat de atmosfeertemperatuur wel boven nul ligt moet je het proces als volgt voorstellen. De zon stuurt een enorme hoeveelheid energie dwars door de gehele ijsmassa, dit komt niet als meetbare warmte vrij omdat gebruikt wordt om het ijs te doen smelten en tijdens smelten blijven het ijs en het smeltwater op nul graden en dit dwingt de er boven liggende atmosfeer om ook nul graden te blijven.
De energiestroom van de zon die veel groter is dan de andere energiestromen buiten de ijsmassa domineert het proces en legt de temperatuur vast.
Om het smeltproces op zich beter te kunnen begrijpen moeten we kijken naar de entropieverandering die (zoals bij elk proces) het stuurmechanisme is. Zie ook hier.
We kijken nog even naar een grafiek van Barrow (grafiek 4)
Die 33°C berust dus op een hoge mate van vereenvoudiging, en voor de 70% oceaan is het sowieso niet toe te passen.


Dit komt er dus op neer dat men durft te stellen dat zowel voor- als tegenstanders het eens zijn over het bestaan van radiative forcing doch niet over de grootte ervan.
The concept of radiative forcing is fairly straightforward. Energy is constantly flowing into the atmosphere in the form of sunlight that always shines on half of the Earth’s surface. Some of this sunlight (about 30 percent) is reflected back to space and the rest is absorbed by the planet. And like any warm object sitting in cold surroundings -- and space is a very cold place -- some energy is always radiating back out into space as invisible infrared light. Subtract the energy flowing out from the energy flowing in, and if the number is anything other than zero, there has to be some warming (or cooling, if the number is negative) going on.Cruciaal is dit "like any warm object sitting in cold surroundings some energy is always radiating back out into space". Men geeft hier dus wel aan dat warmte ook al betreft het straling zich van hoge naar lage temperatuur zal begeven, overeenkomstig wat de tweede hoofdwet van de thermodynamica voor schrijft. Des te merkwaardiger dat hun uitleg van het broeikaseffect wel strijdig is met de tweede hoofdwet.
Het 'some energy' is wat er niet mogelijk is, het kan niet zo zijn dat een deel van de straling de natuurwetten volgt en een ander deel niet.
Alle energie die de aarde verlaat doet dit in de vorm van straling, punt uit. Aangezien het heelal een vacuum is kan er geen energie via geleiding (door moleculen) naar buiten ontsnappen.
De foutieve vermelding van 'some energy' is natuurlijk nodig om de broeikashypothese te kunnen laten werken.
Indien er minder energie uitgestraald wordt dan er in komt moet er ergens opwarming optreden lezen we. Heel goed, maar wat er niet bij staat is dat waarschijnlijk meer dan 99% van deze warmte-energie in de oceaan wordt opgeslagen.
It’s as if you have a kettle full of water, which is at room temperature. That means everything is at equilibrium, and nothing will change except as small random variations. But light a fire under that kettle, and suddenly there will be more energy flowing into that water than radiating out, and the water is going to start getting hotter.Een vreemde en incorrecte analogie. Dit is de omschrijving van een toename van zonne-energie die de oceaan opwarmt en voor meer verdamping zorgt, en komt niet overeen met de processen in de atmosfeer die hier mee vergeleken zouden moeten worden.
Als tekortkomingen kunnen we o.a. noemen:
- vuur is niet alleen straling maar natuurlijk ook thermische warmte
- er vindt hier extra verdamping plaats (inclusief extra latente warmte) en daarom zal de stralingsbalans sowieso nooit kloppen, ook al zouden we met puur straling verwarmen.
- het water slaat de energie thermisch en blijvend op, en dit heeft helemaal niets te maken met positieve forcings van voornamelijk broeikasgas dat straling opneemt en volgens de broeikashypothese binnen een femtoseconde weer uit straalt.
- als het vuur uit (zon weer normaal) is zal de oude situatie herstellen, geen forcing meer.
Dit is onzinnig, wat men hier denkt te concluderen is in ieder geval niet uit het voorgaande af te leiden.
Men stelt dat radiative forcing een maat is voor de hoeveelheid energie waarmee de aarde uit balans is, maar nogmaals een energieverschil zal voor het grootste deel in de oceaan opgeslagen zijn.
Voor wat de atmosfeer betreft zal deze moeten voldoen aan de wetten van Kirchoff (Uitgebreide Engelse versie) en Stefan-Boltzmann, en daarom zal de stralingsenergie naar beneden gelijk moeten zijn aan de stralingsenergie naar boven en is het onmogelijk dat er een onbalans hiertussen is.
Het is daarentegen juist wel mogelijk dat er onbalans is tussen zonnestraling in en IR-straling uit. We lezen namelijk terecht bij Wikipedia dat Kirchoff's wet niet op gaat als de golflengte van invallende en uittredende straling ver uit elkaar ligt dus i.g.v. het spectrum van zonlicht en infrarood. Dus is het vanuit deze wet niet correct om te stellen dat er evenwicht moet zijn tussen invallend zonlicht en uitstraling naar het heelal, en dit is nu juist een fundament van de broeikashypothese.
De invallende meer energetische zonnestraling moet qua absorptie eerder voldoen aan de wet van Lambert-Beer, waarbij echte excitatie van elektronen kan plaats vinden. Dus hebben we in werkelijkheid te maken met een complex stralingsprobleem omdat de wetten voor invallende zonnestraling en die voor IR-straling verschillend zijn. Dit willen de alarmisten ten koste van alles vermijden dus blijven zij doorgaan met de versimpelde stralingsoplossing om dit te verdoezelen.
For the Earth’s climate system, it turns out that the level where this imbalance can most meaningfully be measured is the boundary between the troposphere (the lowest level of the atmosphere) and the stratosphere (the very thin upper layer). For all practical purposes, where weather and climate are concerned, this boundary marks the top of the atmosphere.Dit punt op ca. 10 km hoogte is waar de stralingsbalans van de atmosfeer op betrokken moet worden. En hier voorspellen de modellen dan ook een zogenaamde 'hotspot', maar helaas voor de broeikas gelovigen deze hotspot is er niet en daarmee is het broeikaseffect al gefalsifieerd.
En dit is dan het beruchte (verbeterde) overzicht van de forcings. Merk op dat de onzekerheden het grootst zijn aan de kant van de negatieve forcings (blauw). Het IPCC weet van deze forcings te weinig van af en dit betreft voornamelijk het effect van wolken. De onzekerheden bij de negatieve forcings zijn zo groot dat deze de totale forcing met tweederde kunnen reduceren, en de vraag is of de onzekerheden niet nog groter zijn.
Kijk maar in de linker kolom, het IPCC geeft alleen 'high' kennisniveau aan voor wat betreft de broeikasgassen. De kennis van de overige factoren is allemaal laag, dus erg onzeker. Dit weerhoudt de klimatologen er echter niet van om ons een settled science voor te spiegelen, en de onzekere feedbacks niet te onderzoeken maar gewoon te negeren.
Daarnaast zien we dat waterdamp (het grootste broeikasgas) er niet in voor komt. Om te voorkomen dat dit zichtbaar wordt gemaakt heeft het IPCC de grafiek dusdanig opgezet dat het de verschillen betreft vanaf het jaar 1750, en zo hoeft niemand te zien hoe enorm het effect van waterdamp is. Zo gaat men er dus ook gemakshalve maar van uit gaat dat de waterdampconcentratie sinds 1750 onveranderd is, en dit is dus duidelijk fout gebleken (zie hier onderaan) want we zien een overduidelijke dalende trend.
We kunnen concluderen dat gezien de correctie die kan optreden door de onzekerheden en het negeren van de waterdampvariatie de totale forcing net zo makkelijk op nul kan uitkomen.
Hier wordt beweerd dat de natuurlijke factoren ingecalculeerd zijn maar gezien de onzekerheden is hiervan geen sprake, bovendien is de waterdampvariatie genegeerd en de neveneffecten van variatie in zonnestraling en kosmische straling zijn ook genegeerd.
"De planeet aarde absorbeert energie van de zon, waardoor de aarde opwarmt. De aarde straalt energie terug naar de ruimte waardoor de aarde af koelt.
Over het algemeen bestaat er een energie-evenwicht tussen de zon en de aarde. Hierdoor blijft de gemiddelde temperatuur op aarde ruwweg constant."


"We kunnen over lange tijdsperioden natuurlijke veranderingen optreden, zoals veranderingen in de baan van de aarde rond de zon, die leiden tot periodieke klimaatveranderingen, zoals het ontstaan en het verdwijnen van ijstijden.
De energie die de aarde absorbeert van de zon bestaat grotendeels uit licht. De gassen en dampen van de atmosfeer random de aarde laten dit licht door. Het licht dat door de aarde wordt geabsorbeerd warmt de aarde op. De opgewarmde aarde straalt energie terug naar de ruimte in de vorm van warmtestraling en niet als licht."

"Hoewel alle gassen en dampen in de atmosfeer licht doorlaten, laat een aantal, waaronder waterdamp, kooldioxide en methaan, warmtestraling niet door. Zij houden die warmte vast. Daardoor functioneren ze als een soort deken om de aarde en veroorzaken ze een 'broeikaseffect' dat leidt tot een temperatuurverhoging van de aarde. Zonder dit natuurlijke broeikaseffect zou de temperatuur van de aarde ca. 33 graden Celsius lager zijn waardoor het oppervlak van de aarde grotendeels bevroren zou zijn. Er zou dan geen vloeibaar water zijn en daardoor ook geen leven. Het natuurlijke broeikaseffect is dus noodzakelijk voor het huidige leven op de aarde."
"Door steeds meer ontbossing, meer landbouw en door het grootschalige verbranden van fossiele brandstoffen stijgt de concentratie van broeikasgassen, zoals kooldioxide en methaan heel snel. De concentraties van deze gassen zijn nu veel hoger dan in de laatste 600.000 jaar. Hierdoor wordt het natuurlijke broeikaseffect versterkt, waardoor de aarde wat extra opwarmt."
"Daardoor worden de zeeen iets warmer, waardoor meer water verdampt, waardoor de concentratie van waterdamp in de atmosfeer wat toeneemt. Maar waterdamp is het sterkste van alle broeikasgassen. Daarom versterken de beschreven effecten elkaar. Het gevolg van dit alles is dat de temperatuur op aarde stijgt. Dit effect is tot nu toe nog niet groot; het is zelfs veel minder dan 1 %. Maar een temperatuurverhoging van slechts 1 % zou leiden tot een temperatuurstijging van ruwweg 3 graden Celsius, wat dramatische effecten zou hebben. De zeespiegel stijgt en het klimaat verandert."


Men heeft uit de differentiaalvergelijkingen van de statistische waarden gevonden dat de functie van de temperatuur en die van de zonnestraling bij de eerste afgeleide stationair worden , maar dat de functie van de diverse broeikasversterkingen pas bij de tweede afgeleide stationair wordt. Dit betekent dat er een duidelijk verschillend gedrag bestaat, waartussen meestal geen correlatie bestaat. Om dit te bevestigen heeft men gekeken of er cointegratie tussen beide bestaat, die blijkt er niet te zijn en dus is er geen relatie tussen broeikasgassen en temperatuur.
Broeikasgassen hebben slechts een tijdelijk effect op de temperatuur, andere negatieve feedbacks zorgen er voor dat het broeikaseffect teniet wordt gedaan (waterdamp?). Eerdere onderzoekers hebben tijdelijke opwarming onterecht voor blijvend aangezien. Een verdubbeling van CO2 zal niet tot blijvende temperatuurverhoging leiden.
Tussen 1880 en 2000 is de temperatuur 0,54 °C gestegen, hiervan komt 0,40 °C door de zon en slechts 0,14 °C (tijdelijk) door broeikasgassen. Het is niet de CO2 concentratie die een rol speelt maar de CO2 concentratieverandering over een tijdsbestek. Het terugdringen van de CO2 uitstoot heeft slechts een tijdelijk effect op de temperatuur, er is geen blijvend effect op de lange termijn.

CO2 heeft geen relatie met temperatuur en zonnestraling, en daarom is het niet waar dat CO2 de temperatuur blijvend verhoogd. Vanwege het tijdelijke effect moet Global Warming gezien worden als een tijdelijk reactie die in de toekomst zal omkeren.
