Posted on: August 14, 2009
stuur dit door
Nieuw
onderzoek verstevigt de hypothese dat
Kosmische Stralen de vorming van lage bewolking op Aarde beïnvloed met als gevolg globale temperatuurveranderingen (
bron).
Miljarden tonnen waterdruppels verdwijnen uit de atmosfeer tijdens gebeurtenissen die in detail tonen hoe de Zon en de sterren dagelijks ons wolkendek controleren. Onderzoekers van het National Space Institute van de Technische Universiteit van Denemarken (DTU) hebben de gevolgen onderzocht van uitbarstingen op de Zon die de Aarde afschermen van sommige Kosmische Stralen - de energetische deeltjes van ontplofte sterren die op onze planeet neer regenen."De Zon zorgt voor fantastische natuurlijke experimenten die het ons mogelijk maken om onze ideeën over haar effecten op het klimaat te testen" zegt prof. Henrik Svensmark, hoofd auteur van een nieuw rapport gepubliceerd in Geophysical Research Letters. Als zonne-explosies (
CME's) interfereren met de Kosmische Straling ontstaat er een tijdelijk tekort aan aërosolen, chemische deeltjes in de atmosfeer die normaal aangroeien totdat waterdamp er op kan condenseren en zo vloeibare waterdruppels verspreiden voor de vorming van lage bewolking. Vanwege dit tekort kunnen wolken boven de oceaan tot 7 procent van hun vloeibaar water verliezen binnen een tijdsbestek van zeven of acht dagen na het Kosmische-stralings minimum.
"Een verband tussen de Zon, Kosmische Stralen, aërosolen, en vloeibaar water in wolken blijkt op wereldwijde schaal te bestaan" concludeert het rapport. Dit onderzoek, waaraan Torsten Bondo en Jacob Svensmark hebben bijgedragen, valideert 13 jaar aan ontdekkingen die wijzen op een belangrijke rol voor Kosmische Stralen in de klimaatverandering. In het bijzonder verbindt ze waarneembare verschillen in globale bewolking met laboratorium experimenten in Kopenhagen waaruit blijkt hoe kosmische stralen helpen bij het creeren van de belangrijke aërosolen.
Andere onderzoekers hebben moeite met het vinden van significante effecten van de zonne-uitbarstingen op bewolking, en Henrik Svensmark begrijpt hun probleem. "Het is als het proberen om tijgers te vinden die in een jungle verborgen zitten. Omdat bewolking sterk veranderd van dag tot dag, ongeacht wat de Kosmische Stralen doen", zegt hij. De eerste taak voor een succesvolle jacht was uit te zoeken waar "tijgers" zich het meest waarschijnmlijk zullen laten zien, door het identificeren van de meest veelbelovende gevallen van plotselinge terugval in de hoeveelheid Kosmische Straling, een zogenoemde Forbush daling. Eerder onderzoek in Kopenhagen voorspelde dat de gevolgen het meest merkbaar moesten zijn in de onderste 3000 meter van de atmosfeer. Het team identificeerde 26 Forbush dalingen sinds 1987 die zorgden voor de grootste afname van de Kosmische Stralen op lage hoogte, en gingen op zoek naar de gevolgen hier van.
Vergeten de zaden te zaaien
De eerste globale gevolgen van een afname in Kosmische Stralen is een subtiele verandering in de kleur van het zonlicht, zoals gezien door de grondstations van het aërosol netwerk AERONET. Door analyse van de data tijdens en na de afnames in Kosmische Sralen, vond het DTU team dat violet licht van de Zon helderder was dan normaal. Een tekort aan aërosolen, die normaliter violet licht verstrooien als het de atmosfeer passeert was de meest waarschijnlijke reden. De grootste kleurverandering vond ongeveer vijf dagen na het minimum in Kosmische Stralen plaats.
Vanwaar deze vertraging? Henrik Svensmark en zijn team waren niet verrast, want de onmiddellijke invloed van de Kosmische Stralen, gezien in laboratorium experimenten is het creëeren van micro-clusters zwavelzuur en watermoleculen die te klein zijn om van invloed zijn om door AERONET op te vallen. Alleen wanneer zij een paar dagen bezig zijn geweest om in omvang te groeien zouden ze beginnen te verschijnen. Het bewijs voor dit gevolg van de Forbush dalingen, zoals onderzocht door het Deense team geeft aërosol deskundigen waardevolle informatie over de vorming en het lot van kleine aërosolen in de atmosfeer van de aarde.
Hoewel groeiende aërosolen zonlicht na vijf dagen kunnen beïnvloeden zouden ze nog niet groot genoeg zijn om waterdruppels te vormen. De volle impact op de wolken is pas twee of drie dagen later merkbaar. Het zorgt voor afname van lage bewolking vanwege het eerdere verlies aan kleine aërosolen die normaal tot wolkenvormende "condensatie kernen" zouden zijn uitgegroeid en in staat om wolken te vormen. "Dan is het net als kale plekken zien in een gebied, waar een boer is vergeten te zaaien" verklaart Svensmark. "Drie onafhankelijke sets van satellietwaarnemingen vertellen alle een vergelijkbaar verhaal over verdwijnende wolken ongeveer een week na het minimum aan kosmische stralen."
Enorme gevolgen voor de bewolking
Uit satelliet-gegevens aangaande het vloeibare water gehalte van de bewolking boven de oceanen, voor de vijf sterkste Forbush dalingen van 2001 tot 2005, vond het DTU team een daling van 7 procent, zoals al eerder gezegd.
Dat vertaalt zich in 3 miljard ton vloeibaar water dat uit de hemel verdwenen is. Het water is er nog wel in dampvorm, maar in tegenstelling tot druppels in wolken blokkeert dit niet het zonlicht dat de oceanen opwarmt. Na dezelfde vijf Forbush dalingen zagen satellieten die de hoeveelheid vloeibaar water in de wolken meten een gemiddelde daling van 4 procent. Andere satellieten lieten een vergelijkbare 5 procent reductie in wolken beneden 3200 meter boven de oceaan zien.
"Het effect van de zonne-explosies op de aardse bewolking is enorm," zegt Henrik Svensmark."Een verlies van 4 of 5 procent bewolking lijkt mischien niet veel, maar het verhoogt het zonlicht dat de oceanen bereikt met ongeveer 2 watt per vierkante meter, en dat is gelijk aan de totale opwarming van de aarde tijdens de 20e eeuw ".
De Forbush dalingen zijn te kortstondig om een blijvend effect op het klimaat te hebben, maar ze zijn te vergelijken met het mechanisme dat tijdens de 11-jarige zonnecyclus werkzaam is. Wanneer de Zon actiever wordt is de daling van Kosmische Stralen op lagere hoogtes groter dan wat we in de meeste Forbush gebeurtenissen zien, en het verlies van lage bewolking houdt dan wel lang genoeg aan om de wereld op te warmen. Dat verklaart volgens het DTU team de afwisseling van opwarming en afkoeling die in de lagere atmosfeer en de oceanen tijdens de zonne-cycli worden gezien.
De directeur van het Deense Nationale Ruimtevaart Instituut, Eigil Friis-Christensen was mede-auteur tesamen met Svensmark in een eerder
verslag over het
effect van Kosmische Straling op het wolkendek in 1996. Reagerend op het laatste rapport zegt hij: "Het bewijs stapelt zich op, al eerder voor de link tussen Kosmische Straling en lage bewolking en nu via experimenten en observaties voor het mechanisme waarbij aërosolen betrokken zijn.
Al deze overeenkomstige wetenschappelijke resultaten illustreren dat het bij de huidige klimaatmodellen die gebruikt worden om het toekomstige klimaat te voorspellen ontbreekt aan belangrijke delen van de benodigde Fysica ".
Zie verder het
CLOUD experiment in het CERN dat verdere empirische data zal verschaffen.
Bekijk ook de videoclips in mijn rechter kolom onder Kosmoklimatologie.
Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
<< Previous Post || Next Post >>
categorie:
Uncategorized,
klimatologie,
kosmoklimatologie,
zon